Claartje Chajes

Ik schrijf ook voor ramen

Het woord als daad

Auteur

Ik val op zinnen die de ziel een duwtje geven. Ik hou van dansen met taal. Ik schrijf tussen de regels door.

Als ik niet meer weet hoe ik verder kan, leg ik het weg. Het kan lang duren voordat ik terugkom, dankzij de sterke band tussen mijn geheugen en geweten gebeurt dat hoe dan ook.

Als ik er een idee te pakken heb, ontstaat een tekst. Of een concept, waar tekst de leidende rol inneemt.
Toneel, een gedicht, een liedje, een column of een kort verhaal. In het okergele deel van deze website maak je kennis met mijn schrijfstijl. Er staan ook wat dierbare journalistieke stukjes tussen.

Lees verder voor een fragment, of klik op een andere tekst in okergeel.

 

 

 

Er zijn dagen dat je haar niet ziet,
dan is het breekpunt tussen haar en de werkelijkheid weg
En als ze vergeet haar contouren te markeren
ga je aan haar voorbij

Ze is transparant
als je tot haar doordringt
bereik je de ruimte tussen stilstand en beweging
Waar het begin nog niet is begonnen
waar de echte punt niet is gezet

uit: Doorzon – theatertekst

1/29

CV

Ik hou van verhalen. Vertellen, beluisteren, beschrijven. Afstand bewaren en meedoen. In de kleuterklas waren het nog sprookjes, rond de eeuwwisseling ging ik professioneel. Als freelance journalist en tekstschrijver, als dichter, als dramaturg en theatermaker. Sinds maart 2017 volledig als zelfstandige.

Je komt me in het wild tegen tegen als journalist voor oa Stadsherstel Amsterdam en De Heeren van Zorg, als portretdichter voor organisaties, kunstprojecten en particulieren en als initiator van kunstproject het Waardentestament. Ik ben ook veel te vinden op een bureaustoel bij Het Concertgemaal in Amsterdam-Noord.

Wil je mijn gezicht zien?                      

En voor die tijd?  

Van 2013 tot 2017 was ik hoofdredacteur van donateursmagazine Meeleven en de cliëntenkrant Zoolmaat bij vrijwilligers- en hulporganisatie De Regenboog Groep in Amsterdam. Ook maakte ik daar een tijd de digitale nieuwsbrief.

Ik gaf van 2014 tot 2016 lessen dramaturgie en theatergeschiedenis op Amsterdamse acteursopleiding De Trap.

Ik leerde de stad van een interessante kant kennen toen ik bij De Regenboog Groep 2,5 jaar groepscoördinator was van buurtrestaurants en uitjes voor Amsterdammers met psychiatrische klachten.

Ik bedacht samen met mijn zus in 2013 kinderkunstproject De Liefdesbrievenbus. Daar wonnen we een jaar lang harten mee op festivals en culturele evenementen. Ik regisseerde in de Museumn8 2015 de performance AG-kwadraat in het Allard Pierson Museum.

Er zijn publicaties van mij opgenomen in de bundels ‘Oost’ (2013) en ‘Boekwerk 2’ (2005). Toen gebruikte ik nog mijn meisjesnaam Van den Broek.

Tussendoor deed ik altijd freelance schrijfwerk, voornamelijk in de culturele sector.

Ik studeerde zeven jaar, waarin ik (tijdschrift)journalistiek afrondde in Utrecht, bachelor werd in de Theaterwetenschap in Amsterdam en een jaar drama mocht volgen op de toneelschool van het Belgische Gent.

Ik ben geboren in Geldrop, volgde de Vrije School in Eindhoven en kwam op zondag 14 september 1980 ter wereld.

De liefde vier ik dagelijks met mijn man, dochter en zoon.

2/29

Portretdichter

extra beroep
2 april 2019

Ik noem mezelf sinds een klein jaar portretdichter. Dat doe ik in opdracht, ik werk ook aan de Poëtische Buurtatlas van Amsterdam. In de Poëtische Buurtatlas portretteer ik alle buurten van de hoofdstad. Momenteel loopt dat project in Amsterdam Noord, met een toonmoment in de herfst van 2020 -afhankelijk van de Corona-ontwikkelingen.

Lees meer op www.portretgedichten.nl.

3/29

Mens, kompaan, lotgenoot

Coronagedicht
20 maart 2020

Nooit eerder was een angst zo mondiaal
(aangesloten op internet/ziel onder de arm)
Lam geïnformeerd gaan we gebukt onder slingerende feiten
Het gewicht van niet weten weegt loodzwaar
Kan ik je vertrouwen?

Ik vraag me af met welke som we onze angsten delen
Ik tel de soorten angst op alle vingers alle tenen
Besmetangst, doodsangst, toekomstangst, ondergangsangst, 
isolatieangst, versoberangst, degradatieangst, veranderangst
De angst dat we elkaar niet willen helpen
De angst dat we elkaar niet kunnen helpen
De angst dat elke geruststelling een gok is
Hoeveel angst moet je tellen om te imploderen?
Om de warmte uit je hart te doen verdampen?

Ik weet dit zeker: je gaat een keer dood, ik ook 
Niemand kan je zeggen hoe laat het dan is
Liever niet vandaag, niet morgen
Niet in mijn leven, liever niet
Ik vind je zo leuk, met al je grillen

Ik wil naast je staan
Ik wil dat je weet dat de muren tussen ons, 
de munten die we onszelf waard achten, de smaak die we kiezen,
de dialecten die we spreken, de fouten die we elkaar aanrekenen,
de hemels waarin we elkaar prijzen, ze bestaan niet. 
We hebben ze zelf bedacht. We conserveren ze met ons oordeel.
Goed of fout, fout of goed.
En we veranderen constant van gedachten.
We zijn in staat om iets anders te bedenken, anders te doen.
Zo mondiaal dat we elkaar beter serieus nemen.
Elkaar vertellen hoe het kan, je hart warm houden.
Ik ook en jij.

 

4/29

Kadaver

Kort verhaal
15 februari 2020

Dit verhaal is gepubliceerd op de site van literair platform Hard//hoofd

Mijn koffer staat klaar in de gang, onder de kapstok.

Het is een mooie koffer, van stevig bruin leer. Zonder wieltjes, dat vonden we niet nodig. Een koffer moet je dragen. Door hem op wieltjes te slepen toon je geen eerbied voor de voorwerpen die je erin verplaatst. Mijn vrienden en ik zijn ouderwets houden van vertraging. Dat uiten we in onze kleding, onze haardracht. We gebruiken ook graag de benenwagen. En het valt natuurlijk op bij de cadeaus die we geven. Of gaven.

Mijn vrienden zijn tegenwoordig kennissen, eerlijk gezegd.

De koffer is voor mij de mogelijkheid tot een ander leven. Ik kan mijn boeltje pakken en dat boeltje met de koffer ergens heen brengen. Van Oost naar Zuid bijvoorbeeld. Om die reden staat hij klaar.

Al acht jaar, niemand heeft gezegd hoe lang het duurt voor ik hier wegga. Petra zeker niet, dat zou haar niet goed uitkomen.

Petra’s man is een half jaar geleden overleden.

We drinken elke week op dinsdag koffie. Dat deden we al voordat haar man overleed. Koffie met een stukje appelkruimelvlaai. Af en toe met slagroom, niet te vaak. Zij drinkt haar koffie met speciale melk uit kleine kuipjes, die ze open moet breken aan een lipje vanaf de rand. Ik drink zwart. Na de tweede keer dat ze bij mij was geweest, besloot ik dat ik de kuipjes voortaan in huis zou halen.

Als je partner sterft is afleiding een stuk belangrijker dan wanneer hij nog leeft. Dat zegt Petra. Ik kan me daar wel in vinden. Ik had een konijn, geen partner. Steven is iets meer dan een week geleden overleden. Petra kwam vanmorgen met het voorstel om hem samen in de tuin te begraven.

Twee weken geleden heb ik Steven voor het laatst te eten gegeven. Ik wist toen nog niet dat het voor het laatst was. De zon scheen en ik had wat droog brood en een wortel bij de dagelijkse portie voer gelegd, in de ochtend. Ik besloot mijn krant buiten te lezen en vergat te lunchen. Er stond veel in de krant.
De zwaluwen vlogen laag die middag, ik wist dus dat er regen in de lucht hing. Dat vertelde ik door de heg heen tegen Petra, omdat ik haar bezem hoorde. Ze veegde haar terras schoon en riep dat haar man die taak altijd op zich nam. Niet het vegen, ze was dol op vegen, maar zij zag de lol nooit zo van dat weerstation. Nu werkte het niet meer. Ik wist niet goed hoe ik moest reageren, dus mompelde ik iets over dat het weer mannelijk is. Blijkbaar was dat grappig.

De volgende morgen had Steven zijn eten nog steeds niet aangeraakt. Het regende inderdaad.

Ik besloot dat hij het ook zelf maar moest weten, het was een eigenwijs konijn en hij had vaker kuren.

Die dag ging ik naar Petra, in plaats van zij naar mij. Voor het eerst in de drie jaar dat we met elkaar koffie drinken kwam ik in haar huis.

Misschien heeft ze smetvrees. Dat zou een reden kunnen zijn om mij zo lang niet uit te nodigen. Ik heb er nooit naar gevraagd. Het kwam er niet van om dat te vragen.

Haar huis zag er van binnen opvallend opgeruimd uit. Ik voelde me er anders dan anders.

De belangrijkste kleur in de huiskamer was zandbruin. De bank, het kleed, de lage tafel, ze hadden allemaal ongeveer dezelfde tint. Steven zou er mooi bijpassen, zijn vacht zag er precies zo uit.

Over Steven spraken we niet, die ochtend. Ook niet over haar man. Toen kon ik natuurlijk nog niet weten dat er een verband tussen haar man en mijn konijn bestaat, in zekere zin.

In mijn huis hebben de meubels verschillende kleuren, ze refereren allemaal naar een andere periode in mijn leven. Ik probeer erop te letten dat ze de oorspronkelijke kleur behouden, mijn herinneringen zijn tenslotte ooit in die kleuren begonnen.

Vier dagen later was Steven dood. Ik ben bang dat het mijn schuld is.
Steven stond erom bekend een goede eter te zijn. Hij wist zijn porties goed over de dag te doceren. Het verbaasde me wel, natuurlijk verbaasde het me. Verbazing heeft iets luchtigs.
De derde dag dat ik hem met onaangeroerd voer in zijn hok zag, was ik er met mijn gedachten echt niet bij. Mijn geheugen is zo onbetrouwbaar, wie had ik om me te vertellen dat ik niet voor de tweede keer die ochtend brokjes kwam brengen? Ik concludeerde dus dat ik al bij zijn hok moest zijn geweest. Dat het er ’s avonds nog lag, nou ja, iedereen heeft wel eens geen trek. Ook een konijn.
Toen ik hem de volgende ochtend dood in zijn hok vond, schokte me dat minder dan ik had verwacht. Ik stelde me mijn hele leven al voor dat de dood zijn omgeving lamlegt, maar ik voelde me hetzelfde als voordat ik naar het hok liep, toen ik nog dacht dat Steven leefde. Neutraal.
Petra begreep wat ik bedoelde, zei ze.

Ik wilde haar eerst niet vertellen over Steven, maar er was iets tussen ons veranderd sinds mijn eerste bezoek aan haar huis. Ze kwam nu ook buiten de geplande koffie-afspraken langs. Die ochtend belde ze weer aan. Ze wilde me een bericht laten lezen dat ze in de krant had gevonden. Over een man die zijn koffer op het Muiderpoortstation was verloren. Ze wist van mijn koffer in de gang en suggereerde donatie.

Ik zei dat mijn koffer klaar stond voor een moment dat nog moest komen en dat ik Steven dood had gevonden in zijn hok. Ik vertelde ook over mijn schuld. Ze zei dat oorzaak niet altijd in verband staat met gevolg. Die logica vat ik nog steeds niet. Het klonk wel alsof ze het goed bedoelde.

Er is nog geen geschikt moment gekomen om Steven te begraven. De eerste paar dagen kon ik niet bedenken waar je zoiets doet. Bij mij in de tuin is geen ruimte, er liggen overal terrastegels en ik wil dat zo houden. Dat heb ik haar vanmorgen geantwoord, ik durfde niet te vragen of het bij haar mag.

Het leek me goed om Steven alvast in een vuilniszak te verpakken, tegen de stank.

Het konijn lag tot een kwartier geleden in de oven, lekker warm, al stond die natuurlijk niet aan.
Op de wc kreeg ik net een idee voor zijn laatste bestemming.

Ik heb het goed in mijn huis. Het zou kunnen dat ik niet meer weg ga hier. Ik mis mijn oude vrienden steeds minder. Kennissen hebben hun eigen vrienden. Met Petra in de buurt is het aangenaam.

De koffer is voor Steven. Ik wikkel hem in een rode zijden doek en draag hem in de koffer naar een plek die bij hem past Zoals ik het voor mezelf ook zou willen organiseren. Ik zet de koffer met Steven erin op het Muiderpoortstation, dichtbij het spoor. Misschien gaat hij wel op reis.

5/29

Human filmde me

een filmpje
11 februari 2020

De vriendinnen Ceciel en Karin gaven elkaar een portretgedicht van mijn hand cadeau, Human maakte daar dit fijne filmpje van.

6/29

De Goedkoope Simon

Achtergrondverhaal
24 april 2019

Voor de boekenserie ‘Joodse Huizen‘ deel 5 schreef ik in 2019 het artikel ‘De Goedkoope Simon’ over een stuk familiegeschiedenis van mijn schoonfamilie. Regionale krant De Stentor interviewde mij over deze zoektocht, lees dat interview hier.

Een fragment uit ‘De Goedkoope Simon’:

“Hij was een hele lieve man, echt een fijne opa”, vertelt kleindochter Peppie Dekker-Chajes (1934) via Facetime vanuit Audubon, 15 km ten noordwesten Philadelphia. Peppie is de tante van Job Chajes, mijn man. Ik ben aangetrouwde -niet Joodse- familie en weet aanvankelijk weinig over De Goedko(o)pe Simon. Peppie heb ik nog nooit ontmoet, ze is de twaalf jaar oudere zus van mijn schoonvader.
Op mijn beeldscherm zie ik een lieve, praatgrage en delicate dame, die zich zorgvuldig heeft aangekleed voor het dagelijkse diner van de luxe seniorengemeenschap waar ze samen met echtgenoot Bert woont.
Peppie emigreerde in 1956 naar Amerika. Na het uitbreken van de Hongaarse Opstand kregen zij en tweelingzus Greetje (1934-2007) van hun ouders David Chajes en Clara Dina Noach een ticket om de oceaan over te steken. ‘Niet weer een oorlog’ was de gedachte. Greetje keerde terug, Peppie ontmoette de Nederlander Bert en bleef.
Peppie beantwoordt mijn vragen openhartig, met een lach en een traan.
Haar moeder Clara was de tweede dochter van Simon en Grietje Noach-Velleman. Moeder Clara en vader David werkten vanaf begin jaren dertig voor hun (schoon)ouders; op de markt én in de winkel. Ze zetten de winkel na de bezetting voort. Dat deden ze samen met Simons oudste dochter Fietje en schoonzoon Joseph Levie. Beide echtparen woonden vanaf 1945 met hun kinderen in de twee woningen boven De Goedkope Simon.
Peppie en Greetje zijn de enige kleinkinderen van Simon en Grietje die hun opa en oma hebben gekend. Ze zagen hen als jonge meisjes bijna dagelijks vanwege het werk van hun ouders. Zelf kwam ze niet vaak in De Goedkoope Simon, maar met Sinterklaas altijd. Op 5 december had haar opa namelijk elk jaar dezelfde actie, dan mochten klanten een gratis speculaaspop komen halen. “Die deelden wij uit, dat was erg leuk. Er stond een rij tot aan de overkant van de straat!”

7/29

Tussen haar en hem

Kort verhaal
7 maart 2019

Dat hij er elke morgen staat, merkt ze pas op na een maand of tien. Ze passeerde altijd ingevlochten door onduidelijke ochtendgedachten. Nu heeft ze een wakker moment en ziet dat zijn gezicht haar bevalt. Ze vertraagt haar pas en bedenkt dat het geen kwade man is. Hij staat daar liefdevol over zijn gitaar te aaien. Zijn gezicht is bedekt door een rimpeltapijt, zo iemand bij wie het leven sporen achterlaat. Ze weet dat zij hem niet onberoerd zal laten als hij haar ziet. Ze is zijn type.

Zijn massieve uitstraling voelt vertrouwd. Zelfs hier in het metrostation, tussen honderden mensen die als schaduwen met de stroom mee slingeren. Zijn postuur klopt; ze houdt van zijn geduldige schouders die ontspannen een beetje achterover hellen om de ronde buik tegengewicht te bieden. De wollige voeten in donkerbruine instappers die naar buiten leunen en hem vastbesloten staande houden op de betonnen vloer.

Als hij haar zou aanspreken, zou ze hem vertellen hoe gemakkelijk het werk bij de drukkerij haar afgaat. Dat ze op het punt staat om promotie te krijgen en het liefst reistijdschriften drukt, omdat  het gelijktijdige verloop van mensenlevens op verschillende plekken, in andere landen, haar verwondert. Hij zou dat begrijpen. Wat reisjournalisten schrijven heeft op haar een helende werking, zou ze toch nog uitleggen.

Ze zou zijn minnares kunnen zijn en hem voor het eerst ontmoeten bij de verlopen bar in de steeg. Die waar de barman zijn klanten niet in de ogen kijkt.

Ze zou dan haar lippen voor hem stiften, rood, en in zijn ogen kijken, steels. Niet glimlachen, alleen kijken, wachten. Tot hij het initiatief zou nemen; een Martini on the rocks, haar eerste ooit. De olijf zou ze zonder te kauwen doorslikken. Zittend aan de bar zou hij haar vertellen over zijn ondergrondse zinnen. Ze zou hem eindelijk kunnen verstaan, zo zonder de metro. Zijn antwoord zou haar doen blozen. Dat hij al die tijd voor haar gezongen heeft.

Toch loopt ze ook vandaag na drie minuten verder. Het geluid van de gitaar onder zijn arm bereikt haar niet en zijn stem sterft weg in de volksverhuizing. In de dagen die volgen voert ze eindeloze gesprekken met hem. Als voorbijganger, als minnaar, als vriend.

Zijn stem is diepgeworteld; soms praat hij binnensmonds. Hij vertelt over zijn tijd in het gekkenhuis, waar hij de verpleegsters één voor één het bed in kreeg. Die vrouwen hielden van zijn gevoel voor humor, hij speelde dat hij dronken was. Het blijkt dat hij daar twee dochtertjes van vijf aan heeft overgehouden, bij twee moeders. Dat ze op hem lijken in hoe ze praten; snel. En dat hij zich over dit gedrag verbaast. Hij ziet ze één keer in de maand bij de banketbakkerij om een taartje te eten. Zij zal een keer meegaan, zodat ze kan tonen hoe leuk ze met kinderen is.

Niet eerder in haar leven lacht ze zo veel. Hij is een verteller. Hoe hij onwaarschijnlijke situaties als vanzelfsprekend verkoopt, vindt ze onnavolgbaar. Ze dacht altijd dat ze geen humor had. Als mensen in een lachsalvo uitbarstten, voelde zij zich doorgaans een buitenstaander. Hij belooft haar dat dit niet meer voor zal komen. Het maakt haar verlegen. Daar moet hij om lachen.

Het eerste lied dat hij voor haar zingt, gaat over zijn land. Hij komt niet van ver, wel van elders. Een plek waar iedereen ploetert en elkaar met grappen verleidt. Over de heuvels zingt hij, hoe ze golven. Over schapen die het gras herkauwen. De geur van de lentezon. Alles in mineur, hij mist ze. Als ze durfde te reizen, zou ze hem meenemen naar zijn land.

Ze verandert. Bij de drukkerij merken ze het ook. ‘Wat ben je traag,’ krijgt ze te horen.
Haar wangen zuigen bloed als ze hem passeert, ook op een paar meter afstand durft ze hem niet aan te kijken. Toch weet ze dat hij haar ziet.

De promotie blijft uit. ‘Je verbaast ons, dit gedrag ligt niet in de lijn der verwachtingen,’ zegt haar baas. Ze kan moeilijk een houding vinden, hoe kan ze anders lopen dan op rolletjes?
Ze hoopt dat ze de reistijdschriften wel mag blijven doen. Dat mag.

Op een dag zal hij bij haar komen wonen, weet ze. Haar huis is groot genoeg en ze put houvast uit het motto van haar grootmoeder: ‘Leven doe je niet alleen’. Om alvast te oefenen kookt ze voor twee personen. Macaroni, Mexicaanse tortilla’s, aardappelen met een biefstukje op zijn tijd. Ze denkt niet dat hij vegetarisch eet, op straat heb je weinig keus. Het smaakt goed, voor twee personen koken gaat vanzelf gepaard met liefde. Wat ze over heeft zet ze op het dak, er zijn altijd katten.

Als ze op een herfstachtige zaterdag een nieuwe garderobe voor zichzelf aanschaft, sluipt ze gauw even naar de herenafdeling om de mannenmode te bekijken. Zal ze iets voor hem uitzoeken? Ze kan makkelijk inschatten wat zijn maat is, daar heeft ze oog voor.  Er zijn aanbiedingen. Ze zal het voor hem klaar hangen, bij haar in de kast.
Met een zakje lavendel ernaast.
Het kan dat ze wat hard van stapel loopt, maar kleren hebben eigenlijk geen uiterste houdbaarheidsdatum. Dat zie je op oude schilderijen. Behalve als je het echt alleen om de mode doet. Voor zichzelf is ze daar redelijk streng in, je zult haar niet gauw twee jaar met dezelfde winterjas zien lopen. Hij zal blij zijn.

Ze vindt een donkerblauwe ribbroek, een bordeauxrode blouse en een lichtgroene wollen trui voor hem. Om het af te maken koopt ze een paar sokken, een zakdoek en een zijden onderbroek. Voor zichzelf zoekt ze een bijpassende jurk en zwarte naaldhakken uit. Ze voelt zijn arm om haar middel terwijl ze door de straten van de stad fladdert met de aankopen in een mooie tas van dik papier. Hij knijpt bemoedigend in haar linkerbil.

Onder de grond beweegt vandaag minder volk, het is weekend. Hij staart haar aan, nog voor ze passeert. Alsof hij weet dat het voor hem is wat ze in haar armen draagt. Er is contact, zoals er altijd contact zou moeten zijn. Ze zeggen niets en blijven kijken. Dat houdt ze niet lang vol. Ze buigt haar hoofd, telt de tegels. Honderdvierendertig. Ze voelt dat haar wangen kleuren. Als ze na een paar meter omkijkt, kruisen hun blikken opnieuw.

Terug thuis is er iets vreemds. Ze kijkt naar het schilderij boven haar bank, dat hangt scheef.
Als ze op de bank gaat staan om het recht te trekken, glijden alle kussens eraf. Ze legt ze terug. Er hangt een onbekende lucht in haar huis, die niets te maken heeft met de lelies die ze de dag ervoor op tafel heeft gezet. De meubels die er staan, de verzameling minicactussen, de reistijdschriften in de kast, het is net of ze alles voor het eerst ziet. Haar ogen glijden over de objecten, het grijze tapijt, de foto’s van mensen die zich haar vrienden noemen. Wat doen al die dingen daar? Vormen de spullen zich naar haar, of vormt zij zich naar de spullen? Ze sluit het keukenraam. Ze pakt een reistijdschrift uit de kast en bladert het driftig door. Bij een verhaal over een wandelvakantie in Tirol blijft ze hangen. De foto’s van massieve bergen met witte toppen brengen de rust terug in haar hoofd. Ze ziet Edelweiss in close up afgebeeld, denkt aan het liedje en weet dat ze niets anders moet doen dan ze deed. Hij past erbij, dat zal iedereen begrijpen.

Vandaag zal ze op hem afstappen. Ze is erop voorbereid. Gehuld in de jurk, haar ogen subtiel opgemaakt en bruine lippenstift op haar lippen. Ze glijdt van huis naar metro, het voelt feestelijk. Voor het eerst zal ze hem bij daglicht zien. Ze heeft een aardbeientaartje voor hem bij zich. Ze zal zeggen dat ze er klaar voor is, eindelijk. Daarna moet ze naar haar werk, maar als hij wil blijft ze bij hem. Ze trekt haar jurk recht.
De deuren van de wagon gaan open, een glimlach heeft haar mond in de houdgreep.
In de verte hoort ze de klanken van zijn gitaar tegen de muren ketsen. Haar hakken zijn hoog, ze zet kleine passen, ze hoopt sierlijk. Het gedonder van de metro is als tromgeroffel. Een uitgelaten teckel rent blaffend haar kant op en laat zich op het laatste moment door zijn baasje wegtrekken.
Even houdt ze in, voor later. Zodat ze zich elke seconde voor het beslissende moment straks kan herinneren. Nog ongeveer veertig tegels, als hij naar rechts kijkt zal hij haar zien.
Hij kijkt niet, hij zingt. Een vrolijk lied.
Ze heeft thuis voor de spiegel geoefend hoe ze hem aan zal spreken.
‘Vandaag is het feest’ vond ze te cryptisch. ‘Ik wil je met ons feliciteren’ te direct.
Ze heeft naar zichzelf geknipoogd, toen ze wist dat het goed was.
‘Daar ben ik dan,’ zegt ze en ze houdt het taartje omhoog.
‘Eindelijk’ antwoordt hij.

 

 

Claartje Chajes 

 

Tussen haar en hem kun je ook mét illustratie lezen op literair platform Hard//hoofd.
8/29

Held

liedje
31 juli 2018

Mag ik je held zijn

Voor heel lang

Niet zo’n gewone

‘Bovenkant voorpagina’

omdat ik zogenaamd het allersnelst ga

Maar wil je me inlijsten

Om me weg te kunnen zetten

Weer terughalen, morgen

En alle dagen daarna

 

Mag ik je held zijn

Ik ben trots

Op de wijze waarop

Ik kan zijn als de rest

In de nuance

Pareer ik op mijn best

Ik beschaduw extremen

Versta geen venijn

Twijfel veel

 

Mag ik je held zijn

Na het eind van het feest

Als ik in je schoot

Verdronken blijf

en het vloerkleed bedek

met alle plooien

van mijn veel te zachte lijf

bijval krijg van de klok, die

nog steeds wijzers draait

 

Mag ik je held zijn

Zo zonder refrein

Maar als een verschijning

Die je herinnert

Aan jezelf

Een droomorkest

In wording

Of in ieder geval

De helft

‘Held’ is onderdeel van de grote Claartje liedjescollectie 2018
9/29

Rolkoffers in cordon

liedje
19 juli 2018

met muziek gecomponeerd door Job Chajes werd dit nummer uitgevoerd door Rebecca Lobry en Henkjan van Minnen op Verhalenfestival Jordaan 2019.

Een warme dag houdt

Ons op straat

De grachten liggen vol

Met zwoele scheepjes

’t is al laat

En dan klinkt dof gerol

 

De wieltjes glijden

Monotoon

Hun weg naar bed en brood

Ze trekken sporen

Door een droom

Ze slaan ons uit het lood

 

refrein

Wat een bagage

Trekt aan ons voorbij

Er is geen ravage

Wel een lange rij

Van vreemde vrienden

Ze keren niet weer

Wij zijn slechts bedienden

Met heimelijk zeer

Wij zijn slechts bedienden

Met heimelijk zeer

 

De duiven koeren

Op hun best

Terrassen vangen zon

Een oude tram brengt

Oost naar west

Meer koffers in cordon

 

Mokum wij zijn zo

Trots op jou

De wereld zoekt je blik

Met elke steen

Met elk gebouw

Voelt menigeen een klik

 

Als iemand klaagt dat

’t anders moet

Met handen in de lucht

Dan slaakt de koffer

Zonder groet

Slechts dagenlang

Een zucht

 

refrein

 

Nachtkaars is onderdeel van de grote Claartje liedjescollectie 2018
10/29

De kleine crimineel

Vrij kort verhaal
20 april 2018

Als ik het zelf niet was, zou ik haar een mooi personage vinden: de kleine crimineel. Ze leefde zo’n dertien jaar in mij. Een tumor van de adolescentie. Goed of kwaadaardig, daarover kun je twisten. Ze zat ergens tussen mijn gezond verstand en listige lust, op een plekje ter hoogte van mijn navel. Op het hoogtepunt bekeek ik de wereld dankzij haar door een bril die scherpstelt op het slot van een fiets. Het slot als toegangspoort naar de wereld op twee wielen.

Ik heb geen idee hoe je een fietsslot openbreekt. De kleine crimineel had dat ook niet. Wat ze wel wist, is dat er op massale parkeerplekken altijd wel een tweewieler zonder slot te vinden was. Meestal had een dief eerder de AXA-ring al ontmanteld of de ketting doorgeknipt. Als de kleine crimineel er één meenam, maakte dat niet uit. De vorige dief had die fiets immers tot gestolen ding vervormd.

De kleine crimineel was het gevolg van een reeks oorzaken: als zestienjarige Eindhovense reed ik op een prachtfiets met handenvol versnellingen. Deze trots werd me bruut ontvreemd en ik kwam in de afdankertjesfase. Eerst op de ‘stabiele gezellig’ die mijn moeder na jaren trouwe dienst doorgaf. De gezellig verdween op de parkeerplaats van het plaatselijke station. Niet veel later nam een dief de vijftigjarige omafiets van mijn grootmoeder mee, terwijl ik in de bioscoop zat. De robuuste klassieker van mijn vader rammelde ik met mijn onbezorgde rijstijl in de maanden die volgden total loss. Het ging allemaal vanzelf.

Op een middag zag ik ineens mijn moeders gezellig bij het station staan. Een paar seconden later werd de kleine crimineel geboren. Ze fluisterde dat ik de fiets naar de bewaakte stalling moest sjouwen, onder het mom ‘sleutel vergeten’. Mét bonnetje was het logisch om het slot vervolgens open te laten snijden. Ik zou een week later immers mijn sleuteltje verloren zijn. Zo gezegd, zo gelukt.

De kleine crimineel hielp me handig in de jaren die volgden. Ik hoefde bijna niet te kijken om te weten dat ik beet had. Wel bleef ik wat bibberig. Hoe gestroomlijnder de fiets, hoe groter de opluchting als een andere dief me de schat weer afhandig maakte.

Toen het fietsenplan in mijn leven kwam, hield de kleine crimineel het voor gezien. Bij een baan voor de Amsterdamse De Regenboog Groep mocht ik bruto-sparen voor een degelijk stads ding. Jaar dertig van mijn leven kwam in zicht, een braaf leven moest kunnen. Ik ontdekte: niets is zo zalig als stevig en legaal. Toch voel ik nog steeds fantoompijn als ik een fiets zonder slot zijn noodlot tegemoet zie gaan.

De Kleine Crimineel kun je ook mét illustratie lezen op literair platform Hard//hoofd
11/29

Neem mijn hand

liedje
7 maart 2018

Als de bel luidt

Waar een duif schuilt

Met de wind spreekt

Voor de dag breekt

En het kind gaapt

Zorgen wegkaapt

Blind vertrouwend

Neem mijn hand

 

Neem mijn hand

Hou me vast

Als ik bloos

Op de tast

Neem mijn hand

Hou me vast

Kus mijn hart

Want het past

 

Als een vis lijdt

Terwijl touw snijdt

En het dak lekt

Of de hengst dekt

Als het hout kraakt

En de stad braakt

Tot de pijn stilt

Neem mijn hand

 

Neem mijn hand

Hou me vast

Als ik bloos

Op de tast

Neem mijn hand

Hou me vast

Kus mijn hart

Want het past

 

Als het ijs brandt

Waar een schip strandt

Of een vrucht groeit

En de ster gloeit

Als het glas breekt

En de nacht spreekt

Je applaus knalt

Neem mijn hand

‘Neem mijn hand’ maakt deel uit van de grote Claartje liedjescollectie 2018.
12/29

Witte wieven

liedje
7 maart 2018

Witte wieven

Witte witte wieven

Witte wieven

Witte witte wieven

 

Denk niet

Dit is simpel

Blafte Nell hem toe

Ik bevecht mijn plek alleen

Ik bereik de top alleen

 

Witte wieven

Witte witte wieven

 

Denk niet

Ik kies woorden

Vuurden Jacks ogen haar

Ze zoog ‘n puntje op haar sigaret

En beet haar kaken in elkaar

 

De picknick met een dunne jas

Blote voeten op het natte gras

De afslag naar een veld vol mist

Waar hadden ze zich zo vergist?

Witte wieven breken los

Witte wieven in het bos

Witte wieven

Witte witte wieven

Witte wieven

Witte witte wieven

 

Denk niet

ik kan verder

Wilde Nell bekennen

In de adem voor zijn zin

Zette Jack het op een rennen

 

Witte wieven

Witte witte wieven

 

Denk niet

ik ontzie je

Was de tekst die Jack niet sprak

Straten, pleinen, padenlang

Bleven zijn spieren vlak

 

De nevel kroop al jarenlang

Tussen gordijnen en behang

Ze vrat zich door hun tijdverdrijf

Bevroor de botten in hun lijf

Witte wieven breken los

Witte wieven uit het bos

Witte wieven

witte witte wieven

Witte wieven

Witte witte wieven

 

Denk niet

dat ik moed verlies

Bracht Nell uit tegen de maan

Jack nestelde zich in een bar

Op hun wangen gleed een traan

 

Witte wieven

Witte witte wieven

Witte wieven

Witte witte wieven

Witte wieven

Witte witte wieven

Snelweg is onderdeel van de grote Claartje liedjescollectie 2018.
13/29

Paradijs in de polder: Fort K’IJK

Verslag opening
5 oktober 2017

Dit artikel staat ook op de website van Stadsherstel Amsterdam.

Een unieke plek in Noord-Holland, Europa en misschien zelfs wereldwijd. Na zeven jaar inspanning realiseert Stadsherstel samen met Landschap Noord-Holland, de Provincie en huurder Heeren van Zorg ‘Fort K’IJK’ aan de Krommeniedijk. Een multidimensionaal woon- en belevingscentrum waar jongvolwassenen met autisme wonen. Professor mr. Pieter van Vollenhoven tijdens opening: “Een monument zonder herbestemming is ten dode opgeschreven.”

“Om verliefd op te worden”, vindt gedeputeerde van de Provincie Noord-Holland Joke Geldof de inrichting van het historische Fort. “Zo’n kamer, met zó veel licht, een eigen én een gemeenschappelijke ingang en dan die rust, daar kan je toch alleen maar van dromen?”
Voor het eerst heeft een Fort in de Stelling van Amsterdam zowel een sociaal-maatschappelijke als een ecologische bestemming gevonden. Er zijn 24 zelfstandige woonruimten, waar jongeren met een autistische stoornis begeleid door De Heeren van Zorg voor het eerst op kamers gaan.

Fort K’IJK – voorheen Fort Krommeniedijk, UNESCO Werelderfgoed –  is omringd door weilanden, koeien, vogels en Hollandse wolkenluchten. Vogelspotters kunnen zich vergapen op het uitkijkpunt en verlekkeren bij de tweejaarlijkse inundatie -onder water zetting- van het land. Zeven schapen ontfermen zich over het gras van het dak, topontwerper Piet Hein Eek ontwierp de fortwachterswoning met een knipoog naar de authentieke houten Zaanse architectuur. En zowel bij goed als slecht weer kan jong en oud terecht in de opvallend creatief en smaakvol vormgegeven ‘schatkamer’ van het bezoekerscentrum. Oftewel: een klein paradijs in de polder.

 

Liefde op het eerste gezicht
Het koste zeven jaar doorzettingsvermogen om zo ver te komen. Er waren bestemmingswijzigingen, bezorgde omwonenden en potentiële bewoners met koudwatervrees. “Deze plek is zó mooi en authentiek, die verdient een publiek. Daarom bleef ik erin geloven” vertelt Arthur Schaafsma van Bezoekerscentrum Natuur & Landschap in de Stelling van Amsterdam. Ook Telly Noutsis van huurder De Heeren van Zorg maakte slapeloze momenten mee. Kon het echt rendabel worden? Maar: “Het was liefde op het eerste gezicht en op een gegeven moment kan je niet meer terug. Hier willen wij onze cliënten leren hoe je samen redzaam kunt zijn.”

Voor Stadsherstel is de intensieve samenwerking met verschillende grote partijen een mijlpaal. “Verbindingen leggen, dat is onze rol. Een mooie restauratie is niet het belangrijkste”, meent projectleider Paul Morel. “Samen de juiste functie vinden, daar gaat het om. Met de juiste bestemming kan een biotoop groeien, dát maakt de gebouwen pas echt waardevol.”

Anderhalf jaar geleden kon de restauratie van het complex beginnen. Belangrijke thema’s in het duistere en hermetische fort waren voldoende lichtinval, zorgvuldige ecologie en een zelfvoorzienende energiehuishouding. Zonnepanelen, hergebruik van regenwater en een warmtepomp met aardwarmte voor vloerverwarming maken de energiekringloop voor tachtig procent rond. Het kille beton kreeg warme accenten door extra aandacht voor details. Opvallend in de smalle gangen zijn authentiek geschilderde naamaanduidingen van munitieopslag en balken in de muren. De ziel van de krijgsmacht waart door de gangen.

Zelfstandig wonen enorme stap
“Het wereldwijd unieke van het fort”, doceert Professor mr. Pieter van Vollenhoven – voorzitter van de Commissies Herbestemming Monumenten en Realisatie Natuurverkiezing – de aanwezigen tijdens de opening, “is het inunderen. Forten vind je van Antwerpen tot Kopenhagen en verder, maar nergens kunnen ze de boel onder water zetten.”

De nieuwe bewoners kunnen zich daarmee waarschijnlijk verheugen op internationale belangstelling. Dat is voor hen een bijkomstigheid, want de eerste tijd buiten het ouderlijk huis vergt alle aandacht. “Ze vindt het ontzettend spannend, zelfstandig wonen is een enorme stap”, vertelt mevrouw Kunst in de toekomstige kamer van haar dochter. Er staat een opgemaakt bed, de inrichting door de Heeren van Zorg is stijlvol. Kunst: “Ze is dolblij, ze studeert bloemschikken en gaat nu echt haar eigen weg. Wie weet kan ze straks wat betekenen bij een bruiloft of receptie in het Fort.”

De Heeren van Zorg wil de verschillende functies van het gebouw met haar bewoners benutten; er komen leer- werkplekken in de theeschenkerij en bij cliënten kunnen zich inzetten bij het onderhoud van het groen. Na drie jaar trainen verhuizen ze weer. Directeur Telly Noutsis: “Waar willen we met z’n allen dat het heengaat met deze prachtige plek? Hoe gaan we dat doen? Die vragen stellen we onze cliënten, daar komen we samen uit. Als je verantwoordelijkheid krijgt en dat lukt, krijg je zelfvertrouwen.”

Dit artikel staat ook op de website van Stadsherstel Amsterdam.
14/29

Inzicht

gedicht op locatie
19 mei 2017

Dit gedicht hangt in de permanente expositie over herbestemmen van religieus erfgoed in de Zaandijkerkerk.

 

Inzicht

Betreed geen heiligdom, maar trippel
Over de treden
Beklim de toren, achterstevoren
Volg de sporen van
Goede moed

Bekijk de steen, het geraamte
Van een plaats waar dorpelingen
Geloofden
Zochten, vonden
Pleisters op wonden
Eensgezindheid, trouw.

Tuur verder
Bezie de horizon

Bestook wat passeert met vragen
De lucht zit nag vol dage *

 

* Zaanse uitdrukking voor ‘tijd genoeg’

Het gedicht ‘Inzicht’ is door Stadsherstel opgenomen in de blijvende expositie van de Zaandijkerkerk in Zaandijk.
15/29

Een briesje

Gedicht
11 mei 2017

Melancholie kruipt door een boze bui
Er hangt zo veel herfst
aan de strakke lijn
Wiegend
Tussen plaats delict en getuigenis
Rottend hartzeer, een
schimmelend systeemplafond
splinters van
verbroken verbintenis

Red mij niet, zingt de dode man
Bevestig mijn bestaan,
antwoordt de vrouw

erken een plaats
in het verhaal

vergeet
toe te geven
Welk aandeel
waar verscholen zit

herinner,
ga dan vooruit

16/29

Regenboog voorkomt huisuitzetting

Nieuwsbericht
20 september 2016

Dit nieuwsbericht staat ook op de website van De Regenboog Groep, een geweldige hulp- en vrijwilligersorganisatie voor Amsterdammers. Ik werkte er zeven jaar.

Door twee hulpprojecten te verbinden, konden medewerkers van De Regenboog Groep deze week voorkomen dat een vrouw met twee kinderen uit Amsterdam Noord dakloos werd.

De vrouw (57) is deelnemer van het project Vonk, waar ze administratieve coaching krijgt. Vanwege een huurachterstand dreigde huisuitzetting. Ze kon echter via het project Onder de Pannen een thuisloze een kamer verhuren. Met De Regenboog Groep tekende ze een contract voor 21 maanden, waarbij ze haar huurschuld aflost.

Schuld aflossen

Onder de Pannen is opgezet voor mensen die plotseling dakloos zijn, zij kunnen legaal een kamer huren bij iemand met een sociale huurwoning. De betreffende vrouw maakt gebruik van de nieuwe regeling ‘Kleine schuld, grote winst’. Daarmee kan De Regenboog Groep een beperkte schuld voor iemand aflossen. In ruil daarvoor neemt deze persoon iemand in huis. De huurder betaalt de huur aan De Regenboog Groep, waarmee de schuld direct is afgelost en andere administratieve problemen kunnen worden aangepakt.

Dit bericht is geschreven voor de website van De Regenboog Groep.
17/29

‘Ik studeerde met de Britse prinsen’

Ghostblog
1 oktober 2015

Deze ghostblog staat ook op de website van De Regenboog Groep.

Koud afgestudeerd aan één van de beste universiteiten van Groot-Brittanië, wilde Emma Atkin praktijkervaring opdoen. Ze sprong in het diepe: zes maanden lang werkte ze full time als vrijwilliger bij de inloophuizen van De Regenboog Groep. In deze blog doet ze verslag.

Na de afgelopen maanden bekijk ik Amsterdam op een andere manier. Ik heb de onzichtbare mensen ontmoet. Mensen met ongelofelijke verhalen en veel moed. Elke dag opnieuw zoeken zij naar een manier om te overleven. Ik doel op de mensen die niet consumeren, maar overleven in het decor van de stad. De feeststad Amsterdam, het toeristenparadijs. Zij moeten onvoorstelbaar creatief zijn om dat dag in dag uit vol te houden.

Ik zie nu veel meer gebeuren op straat, bijna elke hoek heeft een andere betekenis gekregen. Je herkent ze op het eerste gezicht vaak niet, ze hebben de mazzel dat ze zich kunnen wassen en gratis hun vuile kloffie kunnen inwisselen voor schoon goed in de kledingruil van De Regenboog. Ze hoeven overdag niet onder een brug te hangen, omdat ze op adem kunnen komen in een inloophuis. Daar ontmoeten ze hun vrienden, ze vinden er een thuis.

Ik ben bij De Regenboog Groep terecht gekomen nadat ik googelde op ‘verslaving’, ‘vrijwilligerswerk’ en ‘Amsterdam’. Als je mijn papieren bekijkt, is deze stap niet de meest logische. Mijn vrienden werken bijna allemaal in de financiële wereld. Ik volgde de middelbare school op een kostschool voor de elite in Engeland, daarna ging ik naar University of St Andrews in Schotland, de Universiteit waar ook de Britse Koninklijke familie studeerde.

Ik ben afgestudeerd in kunstgeschiedenis en antropologie. Als antropoloog in de dop vond ik het interessant om in allerlei verschillende kringen te verkeren. Van adellijke studenten en mensen die in een Porsche naar college kwamen, tot de Schotse locals die hard voor hun geld moeten werken.

‘Wie is de mens áchter het probleem?’

Mijn oorspronkelijke carrièreplan was om via kunst de twee werelden bij elkaar te brengen. Ieder mens herkent iets in kunst, ongeacht zijn afkomst. Wát een contrast was het nadat ik de eerste week in inloophuis De Kloof boterhammen met pindakaas smeerde en vervolgens bij de kunstbeurs TEFAF in Maastricht de rijken der aarde oesters en champagne zag verorberen! Ik merkte dat ik me dichtbij de rand van de samenleving thuisvoel. Vroeger, vanaf mijn dertiende ongeveer, was ik al geïnteresseerd in mensen met problemen. Vriendinnetjes gebruikten mij als klankbord. Mijn eigen jeugd was vrij zorgeloos, dus je kunt je afvragen wat ik bij die moeilijkheden zoek. Ik hou er ontzettend van om het goede van de mens naar voren te brengen. Ik heb veel geduld en wil weten wie de mens áchter het probleem is. De persoon is niet zijn verslaving, er is een oorzaak voor de verslaving en daarachter zit een mens. Ik wil weten hoe je die mens vóór de verslaving uit kunt trekken.

‘Ik ben zes maanden in het diepe gegooid’

Het enige wat ik van tevoren van De Regenboog kende waren de groene fietstassen, die zie je in de hele stad. Ik had net mijn antropologiescriptie over jeugdverslavingszorg in Rusland en San Francisco afgerond. Potentiële werkgevers en de academische wereld wezen me op het nut van vrijwilligerswerk voor je CV, de theorie is nergens zonder de praktijk.

Dat was een heel goed idee! Ik werd zes maanden bij de verschillende inloophuizen enorm in het diepe gegooid. ‘Ga maar bij iemand aan tafel zitten en maak een praatje’ was de eerste opdracht. Doodeng, want hoezo heeft de ander daar zin in? Inmiddels durf ik met iedereen een gesprek aan te knopen, het maakt niet uit hoe hij eruit ziet. Ik weet nu hoe belangrijk het is om vriendelijk en respectvol te zijn tegen een ander, dat je iemands dag ermee goed kan maken. En de minst populaire mensen blijken vaak het interessantst!

‘Mijn vrienden zijn geïnteresseerd in de sensatieverhalen’

Op mijn allereerste dag ontmoette ik Potje. Een superslanke man met een hoed, een aan één kant afgeschoren kapsel en baard en grote klompen aan. Hij beschildert zijn klompen elke keer anders! Hij is uniek. Net als de bezoekster die elke dag met een grijpstok de prullen op het Rembrandtplein opruimt en toevallig ook prachtig kan schilderen. En de man die ik op mijn tweede dag tijdens een spelletje backgammon leerde kennen. Ik was een beetje afhoudend, want hij verspreidde een heftige geur en imponeerde me met zijn wilde haren die alle kanten op stonden. Maar hij hielp me om te winnen!

Als ik mijn vrienden over mijn ervaringen vertel, reageren ze vaak vol ongeloof. ‘Goh, wat heftig en zwaar? Kun je dat wel aan?’ Bijna nooit willen ze iets weten over de mensen zelf. Ze vinden vooral de sensatie boeiend, zijn in shock als ik een hele dag met een dealer praat. Hij is toch ook een mens met gevoel voor humor? Ik hoop dat ik daar in de toekomst iets aan kan veranderen. Dat ze normaler reageren en wel geïnteresseerd zijn. Ik kan niet van ze verwachten dat ze hetzelfde doen als ik, door erover te vertellen geef ik misschien een duwtje in de goede richting.

‘Gebruikersruimten zijn revolutionair’

Ik vind De Regenboog Groep fantastisch, Amsterdam kan zich gelukkig prijzen met zo’n organisatie. En gebruikersruimten zijn revolutionair. Dat er een plek is waar mensen zonder te verloederen en anderen tot last te zijn drugs gebruiken vind ik echt bijzonder. Het is voor verslaafden mét huis trouwens ook veel beter om op een gecontroleerde plek te kunnen gebruiken dan thuis, het is veel veiliger.

Mijn volgende stap is Global Health studeren in Ierland. Ik heb begrepen dat de opvang voor daklozen daar minder goed geregeld is. Er bestaat alleen nachtopvang. Overdag moeten mensen alles zelf maar uitzoeken. Laat staan waar ze gebruiken. Amsterdam is absoluut een pionier op het gebied van verslaafdenzorg. Ik ga alle bezoekers ontzettend missen. Ze voelden als een soort familie. En mocht je iemand tegenkomen die denkt dat een inloophuis een donker hol is waar iedereen maar een beetje doelloos hangt, dan mag je namens mij zeggen: ‘Het is daar hartstikke leuk. Mensen hebben er plezier en komen ’s ochtends rennend naar binnen. De Regenboog creëert een ruimte waar mensen op hun gemak zijn, waar ze zonder oordeel worden gerespecteerd.’

18/29

Vriendschap, een illusie?

Interview
21 september 2013

Dit artikel is gepubliceerd in ‘Zoolmaat’, de krant voor deelnemers en betrokkenen van De Regenboog Groep waar ik hoofdredacteur van was.

Sommige vriendschappen duren van geboorte tot de dood, maar vaak houdt het onderweg ergens op. Kroegvrienden Jaap en Hans spreken elkaar op een zweterige zomeravond aan de bar van café East of Eden tegenover het Tropenmuseum. Een openhartig gesprek over de lasten en lusten van vriendschap die stopt.
Hans: “Het lijkt alsof mensen tegenwoordig geen tijd hebben voor vriendschap. Al mijn langdurige vriendschappen zijn stukgelopen.”
Jaap: “We zitten in een andere levensfase. Veertien jaar lang in de studentenflat was het iedere dag feest. Nu zie ik de meeste mensen alleen op Facebook. Ze hebben een druk leven.” Hans: “En dan is Facebook eigenlijk een troost.”
Jaap: “Dat is waar, ik vind het grappig om daar te zien hoe mijn Haarlemse jeugdvrienden leven.”
Hans: “Ik heb 850 Facebookvrienden, ‘s nachts begint vaak zomaar iemand te chatten, dat is leuk. Maar vroeger hing ik avonden lang bij mensen thuis op de bank, dat mis ik nu. Dat gebeurt niet meer, iedereen is de laatste jaren zo met zichzelf bezig.”
Jaap: “Hoe meer mogelijkheden er zijn om met elkaar in contact te komen, hoe minder echt contact mensen lijken te hebben.”

ZE MOETEN GEEN MISBRUIK VAN JE MAKEN

Hans: “Ik voer nooit meer lange gesprekken aan de telefoon.”
Jaap: “Ik ben ook kritischer geworden, ik doe geen dingen meer waar ik me niet goed bij voel.”
Hans: “Ze moeten geen misbruik van je maken. Ik heb een busje, de mensen zijn ineens mijn beste vriend als ze mijn busje nodig hebben. Daar begin ik niet meer aan. Dat zeg ik ook, maar het helpt niet. Gelukkig maak ik makkelijk contact. Er kan altijd iets positiefs op je pad komen.”

Jaap: “Laatst las ik een uitspraak van Paulo Coelho: ‘Soms moet een deur dicht omdat hij nergens meer naartoe leidt.’ Een goeie. Eigenlijk ben ik van pappen en nathouden, ik hou niet van conflicten. Dan ben ik zo een paar dagen gefrustreerd en van de rel. Toch kom ik steeds weer mensen tegen die me dwingen positie te kiezen. Ik had een vriend die constant steken onder de gordel gaf, daar werd ik zo naar van dat ik het contact dit jaar heb laten doodbloeden. Een andere vriend die ik niet meer zie, vindt dat je in vriendschap kritiek hoort te leveren en eerlijk moet zijn. Ik had geen trek meer in botte eerlijkheid. Positief zijn, dat is voor mij de insteek van vriendschap. Daarmee help je elkaar verder.”

Hans
: “Goede vriendschap is gelijkwaardig, open en met onvoorwaardelijke genegenheid, zonder dat daar seks uit voortkomt. Met dat laatste heb ik vaak een probleem. Ik trek veel op met vrouwen maar heb geen partner, dus ik kom tekort. Ik had goede vriendschappen met vrouwen met wie ik ook vree, maar uiteindelijk bleken de verwachtingen altijd scheef. Op mijn linkerarm staat de naam van mijn vriendin Anna getatoeëerd, die heb ik in 1974
laten zetten. Ik leerde haar kennen in een moeilijke periode toen ik dagelijks therapie had. Ik was zwaar overspannen, psychotisch en sliep een half jaar niet. We hadden een geweldige band, vreeën ook, blowden en dronken whiskey. Zij kweekte wiet op haar zolder, ik haalde met mijn busje aarde voor haar. Ze gaf me daar vaak spontaan honderd gulden voor en hielp mij thuis met opruimen. Ineens wilde ze dat ik haar voor dat opruimen zou betalen. Wat een bezopen idee! Een donderslag bij heldere hemel, ik was er kapot van. Ik heb haar met ruzie de deur uit gezet. Uit kwaadheid heb ik haar nog een poosje gestalkt. Tot ze me terugstalkte.”

WE HADDEN HET SAMEN FANTASTISCH

Jaap: “Maar snap je het wel eens als mensen jou laten zitten?”
Hans: “Ja hoor. Ik had ooit een vriend, Nico. We waren samen verslaafd aan harddrugs en hadden een hoop lol. Op een gegeven moment waren we allebei afgekickt, toen ging hij de
boot afhouden. Ik denk dat hij niet meer wilde worden herinnerd aan die periode. Daar heb ik vrede mee.”
Jaap: “Ik vind zoiets lastig. Ik had een vriendengroepje van twee vrouwen en nog een man. Als we met z’n vieren afspraken vond ik dat heel erg leuk. Eén van de vrouwen zag ik als
mijn bron van wijsheid, die belde ik altijd als ik akkefietjes had. Ze was bijzonder, heeft zelfs een keer vier weken India voor me betaald. Maar op een gegeven moment werd het minder, misschien omdat ik haar teveel vroeg. Ik heb dat nooit besproken. Ik probeer nog wel met ze af te spreken, maar dat gaat altijd moeizaam. Het zou ook kunnen dat zij wilde dat ik haar goeroe ging aanhangen. Een aardige man, maar niks voor mij. Toch kun je van confrontaties met vrienden leren. Een vriendin vroeg me ooit om alles te herhalen wat ze zei. Ze vond dat ik niet goed luisterde.”
Hans: “Dat hoor ik ook vaak. Ik ben graag zelf aan het woord. Als iemand iets vertelt, herken ik daarin wat van mezelf en wil dat meteen óók vertellen. Ik had een hardloopmaatje, die vond dat ik meer moest doorvragen om te tonen dat iets me echt interesseerde. Hij beweerde ook dat ik te snel wegloop van negatieve situaties. Daarna heb ik nooit meer met hem afgesproken.”

RODDELEN IS LEUK

Hans: “Mensen vertrouwen mij niet, omdat ik zo loslippig ben. Ik ben heel openhartig, dat krijg je dan. Ze geven altijd mij de schuld als een geheim uitlekt.”
Jaap: “Klinkt bekend. Ik hou van sappige verhalen en die vertel ik makkelijk door. Roddelen vind ik leuk, dat is misschien niet zo integer. Maar ik ben wel heel trouw. Eén vriend ken ik vanaf de kleuterklas.”
Hans: “Eigenlijk ben ik het best in kortlopende contacten. Ik hou van spontane acties en kan mensen goed enthousiasmeren. Dat vinden ze meestal heel leuk. Maar als ik niet zelf naar buiten treed, komt er ook niemand bij mij. Jammer, maar het komt me ook wel uit. Ik ben stemmingsgevoelig, soms heb ik geen zin in mensen. Door Hepatitis-C laat de gezondheid het afweten, ik kom mijn afspraken niet altijd na.”
Jaap: “Ik heb een hotline naar mijn ouders en mijn vriendin. Bij hen kan ik alles kwijt. Meestal is er ook nog een goede vriend die ik drie keer in de week spreek, momenteel niet. Ik heb contacten met een man of vijftien, de meesten op afstand. Zij hebben het druk met een baan en hun gezin, ik niet. Ik woon alleen en werk niet fulltime.”
Hans: “Mijn zoon is mijn maatje, ik ben heel blij dat hij er is. De vrienden die ik had, waren altijd soulmates. Ik hoop dat ik ooit weer zo iemand ontmoet. Dat verlangen houdt me op de been. Ik sta op allerlei datingsites, je weet maar nooit!”

De namen van de gesprekspartners zijn op hun verzoek fictief. De verhalen zijn echt.

Dit artikel is gepubliceerd in ‘Zoolmaat’, de krant voor deelnemers en betrokkenen van De Regenboog Groep waar ik hoofdredacteur van was.
19/29

Ons soort

Notitie
10 juli 2013

Het ging over de anonieme man die langs het raam liep. Ons raam, wij stonden aan de andere kant van het glas.
Hij had een hoed op, een sjaal om, stapte met een slepende tred. Zoals dat gaat bij dat soort mannen. Ooit was hij niet anoniem geweest en we stonden samenzweerderig bij elkaar. Wisten we het nog, van de tijd toen we hem vaker zagen? Die tijd van kloppende harten en overal een brandend vuur? Hadden we niet allemaal gedacht dat zijn leven zich grootser zou voltrekken dan het onze? Ja, dat wisten we nog wel, dat we dat toen dachten.
Geen van ons kon zich voorstellen dat hij zich ooit nog in ons midden zou willen begeven. Wij waren nu immers van een ander soort. Niet groots, maar steady. Het lag niet aan ons dat hij er niet tussen paste, daar koos híj voor. We keken elkaar aan en lachten. Het lachen werd steeds luider, smakelijker, opgelucht. Wij waren van ons soort, het voelde bevrijdend om het eindelijk eens gezegd te hebben. Tot één van ons zijn stem verhief.
Hij zei: is de eenzaamheid niet een dierbaarder vriend, trouwer dan wij allen samen?

20/29

De achterkant van de maan

Observatie
3 juni 2013

Het ruikt er naar kelder. Een oostenwind blaast vermoeid langs eindeloze rotspartijen. Alles dat ooit te lang duurde ligt vertwijfeld opgeslagen in een dal achter de hoogste berg. Van een inauguratie tot de jaarlijks terugkerende presentatie, grafredes en een lijdensweg. Verboden toegang is niet alleen voor onbevoegden. Wie er toch een voet zet, blijft plakken en lost na 23 dagen op.

21/29

Vijf levens

Gedicht
19 mei 2013

een kalm leven
zonder veel schermutselingen
plankenkoorts en dat soort dingen
een verzameling van porselein
plantenbakken voor het raam
een bordje met een naam
in een koor zingen

een kort leven
door de loop van de geschiedenis
stevig achterop de fiets
zo verdwijnen in het niets
bij een afslag met teveel verkeer
alleen nog de foto in een lijst
genomen bij slecht weer

een lui leven
waaien met alle winden mee
languit op de sofa
zittend de zon achterna
wachten tot een kind de was doet
uitstellen voor er überhaupt wat moet
de hele dag tv

een vol leven
tijd met geld betalen
van trage treinen balen
vijfentwintig vrienden in één hand
in de andere twaalf hobby’s
onnavolgbaar winnen
na een dom verlies

een handig leven
bouwtekeningen opgesteld
in een hooiberg gevonden: een speld
alfabetische volgorde
zagen, veilen en een boor
tussen de bedrijven door
alles past en is in orde

22/29

Op tijd

Notitie
5 mei 2013

In de verder kale gang hangt een jaarkalender van 2007, een cadeau van de Chinees. Hij hangt daar nu dus vijf jaar. Blijkbaar gebruikt niemand hem. Passanten staan niet stil, passanten passeren.
Vijf jaar geleden was dat nog anders, toen hing iemand de kalender nog op. Ik weet niet waarom.
Toen kende ik haar nog niet.
Ze belde vanmorgen om tien voor half acht, omdat ze toch al wakker was. Ik kreeg mijn ogen nog niet open. Of ik nog aan de enveloppen had gedacht. Ze wist wel dat de afspraak was om na negen uur te bellen, maar vandaag zou ik om negen uur bij haar op de stoep staan. Een noodgeval dus.
Haar vriendin belt sowieso elke dag om zes uur in de ochtend en ze neemt de telefoon altijd op. Zij wel.
Ze is liever wakker dan dat ze niemand heeft om koffie mee te drinken.
Nadat ze me om 09.03 uur binnenlaat, doet ze de deur op slot. Voor de zekerheid.
Zoals altijd ga ik aan tafel zitten in de woonkamer. De grote zwart-witte kater dwingt een plek af op mijn schoot. Het gaat niet zo goed met haar, maar dat is een privé-situatie. Ze vertelt mij alleen over haar illustraties, daar kom ik voor. Die tekent ze liever met potlood dan met pen, mag dat ook? Het mag.
Ik leg twintig lege enveloppen voor haar op tafel neer. Ik kan haar illustraties nog twintig keer komen halen. Voor ik het weet sta ik met een enveloppe vol tekeningen aan de andere kant van de deur en hoor hoe ze het slot weer omdraait.
Buiten schijnt de zon op mijn gezicht, een trein glijdt voorbij.
Ik ben vergeten om op de kalender te kijken welke dag het vandaag vijf jaar geleden was.

23/29

Groot en klein

Notitie
24 april 2013

Ze houdt van herinneringen. Dat begon als klein kind, toen ze zich groots voelde door het onthouden van namen, van dingen, van een feest. Als haar geheugen zo veel mogelijk opsloeg, wist ze, zou ze kunnen zien wat er veranderde in haar leven. Zij veranderde niet, de spullen en de dingen en de mensen veranderden haar. Eerst gaven de mensen haar nog een konijn voor haar verjaardag, dat werd later een bureaustoel of een koffiezetapparaat.

Als beginnend groot mens schaamde ze zich wel eens voor alles wat ze nog van vroeger wist. Bij anderen ging dat niet zo, die wisten er weinig van en het stond veel interessanter als de dingen van vroeger er niet toe deden. Namen van mensen onthield je niet, gebeurtenissen evenmin. Het ging om wat er op dát moment gebeurde, zoals de dingen die je zei, de grappen die je maakte.
Ze voelde zich wel eens alleen met al haar verleden.
Nu ze groot is, vormen de herinneringen een meetlat. Zo lang ze maar zo veel mogelijk weet, bestaat er een kans dat het allemaal nog beter wordt. Hoe meer ze zich herinnert, hoe minder fouten ze een tweede keer maakt.

‘Het komt allemaal wel weer’ hoorde ze de oude vrouw die haar herinneringen vergeet en ook dat niet meer weet, zeggen.
Zij is daar niet zo zeker van. Hoe meer zij zich herinnert, hoe minder ze dat wil, dat het allemaal weer komt. Ze houdt van herinnering, niet van herhaling.

24/29

Tot hier

Gedicht
19 april 2013

er zijn grenzen
zingt ze
daar had hij nog niet
zo over nagedacht
en hij lacht
een beetje verbaasd
ze heeft haast

dat had hij toch minstens
van een ander verwacht
zij wil ergens niet zijn
vooral hier
hij is nergens
en hij denkt
de dingen en mensen die we missen
missen weer andere dingen
en mensen

er zijn grenzen
zingt ze

25/29

Onrust

Gedicht
19 april 2013

onrust kruipt
waar het niet gaan kan
net als de mier
die vanmorgen tiptobbend
over de rand van
de tobbe tippelde
of de getekende ansichtkaart vol
wiebelende fietsers, onderweg
misschien uit India
via via
aangewaaid

en wat je zonder te ademen hoorde, een rij oude auto’s
razend de stad uit
over de A1

de mier is het
verder niet gelukt
onder mijn vinger
platgedrukt

26/29

Dourtrekpotpourri

liedje
11 juli 2010

ik sta op straat
routineplasjes na te spoelen
En terwijl jij doorloopt
zeg ik zeg zo zo
ziezo
kom bij mij
hierzo

kom je even bij me zitten
ik geef je een lange minuut cadeau
twee als dat jou beter ligt
laat me kijken
naar je tempo
toe, wil je teder met me klitten
ik ontlast je snel
als jij nu zwicht
je zwicht

 

refrein:

Laten we kiezen voor de hang naar zacht
Voor een zompig vooruitzicht
op de val gericht
dolende drek
doorlekkende drang
duizend delen die naar buiten willen
trillen en
tuimelen in mijn schoot
bij dit lome licht
als ik zachtjes wieg
En lach
Lach en lig
Voor jou

 

ik aai de ribfluwelen strepen
van je broek
die zakt alsof je thuis bent
plof
de wind blaast haren
van je bleke been
omhoog, of
de duizend spetters die je uitstoot
droog, smetteloos
tot je mijn rol papieren vindt
en als je in een flits
mijn mond verstopt
een ruk geeft aan je rits
je lome resten weg wilt spoelen
stroom ik over

 

ik zie hoe
de buitenlucht bungelt
in je gezicht
en betreur dat je klungelt
met het bericht
van een telefonische stalker
die jou van zwijgen beticht
mijn wijde mond staat open
ik wieg nog licht
van je roekeloze resten
en laat je lopen
je hebt je gat alweer gesloten
je gesloten gat
is dicht

 

Dit liedje heeft ook een melodie. Er is een huwelijk uit voortgekomen. Nieuwsgierig hoe het klinkt? Mail me.
27/29

Fragment ‘Doorzon’

Toneel
27 maart 2009

Zij:
Ik ben een fotolijstje
met een wisselend portret
Ik hang niet boven de bank of op de koelkast of in de gang
ik lig onder de dekens, stevig ingepakt
zodat mijn ziel niet uit de bocht vliegt
overdag blindeert een glimlach me
de mondhoeken helpen om het hoog en droog te houden
en me te beschermen tegen de zon

Hij:
zonder zon kan ze niet leven
maar ze weet wat er met Icarus is gebeurd
die vloog met zijn enthousiasme tegen de lamp
te veel licht wil ze daarom niet doorlaten

Zij:
als je te lang in de zon kijkt wordt alles zwart, uiteindelijk
ik heb bescherming nodig voor als de zon uit staat
om barsten aan de oppervlakte te voorkomen
daarom
daarom
daarom lig ik ‘s nachts onder een groot dik dons
met hem

daar ligt ie
stil issie hè

ik zie hem graag zo. Zie je, hij glimlacht.
Ik vind dat hij naar de kapper moet.
Ik weet eigenlijk niet waarom.

Hij:
ze mist me
het duurt al een tijdje
die stilte tussen ons
zeker drie uur

Zij:
mensen hebben dat nodig, slaap
die worden zomaar ineens moe
moe van het leven, of van zichzelf
die verstoppen zich dan, ze doen gewoon pardoes hun ogen dicht

28/29

Knettergoeie teksten

Interview
11 oktober 2007

Dit interview is gepubliceerd in het magazine voor theaterprogrammeurs ‘Shots’, waarvoor ik de teksten schreef.

Lot Vekemans (1965) schrijft toneel. Met gemiddeld drie teksten per seizoen is ze bijzonder productief. Haar werk slaat aan. Zo won ze in 2005 de Mr. H.G. van der Vies-prijs, een driejaarlijkse letterkundige prijs voor het beste werk van de afgelopen periode. Actrice Elsie de Brauw werd in 2005 genomineerd voor een Theo d’Or voor haar vertolking van Oidipous’ vergeten dochter Ismene in Vekemans’ Zus van.

“Een van mijn dierbaarste projecten is eigenlijk heel klein.” We praten op een tropische nazomerdag, tussen nieuwe bossen op de kruising Friesland-Drenthe. En we lopen van een zonnig terras naar de woonkamer van haar herberg om naar het dierbaarste project te luisteren. Na even rommelen aan de techniek krijgt ze een cd’tje aan de praat. ‘Desnoods’ heet het. Het is een collage van zinnen, een compositie van stemmen. “Iets zonder waarde. Iets zonder zin. Iets zonder passie. Iets zonder hart. Niet zeggen wat je vindt. Niet vinden wat je zegt. Niet zeggen wat je wil. Niet willen wat je zegt. Niet doen wat je zegt. Niet willen wat je doet. Niet doen wat je wilt. Niet denken wat je doet. Niet doen wat je denkt. Niet je hand uitsteken. Niet je hart volgen.” Zo gaat het nog even door, ontladend in een zalvende climax die steekt.

De op zichzelf staande zinnen vormen één van de belangrijkste kenmerken van Vekemans’ taal. Het zijn fragmentarische puzzelstukjes die in het hoofd van de toehoorder naar een totaalbeeld leiden. Stukjes gedachten die ruimte openlaten voor de twijfel, die de kwetsbaarheid van het begrip waarheid zorgvuldig aftasten. Ze kruipt graag in de huid van de bijfiguren en underdogs. Zoals Ismene in Zus van, die haar hele leven in de schaduw van Antigone leeft en zelf ook een gezicht wil krijgen.


EIGEN PARADIJS

Vekemans timmert gestaag en met een taaie wil aan haar weg als autonoom kunstenaar. Ze studeerde Sociale Geografie omdat ze meer van de wereld wilde zien, maar vond de ontwikkelingswerkers die ze op haar negentiende tijdens een jaar Latijns-Amerika tegenkwam er niet bepaald gelukkig uitzien. Ze concludeerde dat het haar beter lag om mensen aan het thuisfront kennis te laten maken met het universum van een ander. Schrijven is haar instrument, ontdekte ze op haar twintigste. Op de schrijversvakschool verzamelde ze gereedschap voor de ambachten toneelschrijver en journalist.

Lot Vekemans woont in haar eigen paradijs. Met haar partner Yt van der Ploeg runt ze een idyllische herberg, ‘Het volle leven’, in het Friese Appelscha. In dat paradijs bemoeit ze zich met de zakelijke kant van het bedrijf en zorgt ze dat ze zelf genoeg tijd heeft om met haar eigen werk bezig te zijn.

Om goed werk te maken, is een focus nodig, een missie. Daarvan is ze overtuigd. Voor haar geldt dat ze niet bezig is om de wereld te redden, die drang heeft ze niet. Maar een besef dat wij als mensen op allerlei verschillende niveaus met elkaar verbonden zijn en het effect daarvan op ons bestaan, houdt haar intensief bezig. Het uitgangspunt van haar schrijven is dat ze de ander niet begrijpt. Ze wil weten hoe het komt dat iemand is zoals hij is. Met woorden fileert ze de mens waar ze zich niet mee kan identificeren. “Als je gaat onderzoeken hoe de mechanismen achter gedrag werken, is de gelijkenis met de ander schrikbarend. Ik kan soms bang worden van mijn eigen gedachten. Het feit dat je die gedachten opschrijft geeft aan je dat iets kunt vatten. Je ontdekt pas later dat je bezig bent om iets van jezelf te begrijpen. Bij mij gaat het heel vaak over gedesillusioneerde mensen die als een waanzinnige proberen om hun eigen wereld bij elkaar te houden, mensen die afgesneden zijn van hun kern en daar wanhopig bij proberen terug te komen.

GOEDE KUNST VERBINDT
Dat krampachtige gevecht vind ik zó mooi.”
Op dit moment schrijft ze aan Die van daar, een tekst over twee tbs’ers en een zwerfster en hun onmacht om zichzelf staande te houden. Personages die ze baseert op een fotoreportage uit het magazine van de Volkskrant. “De tbs’ers willen precies hetzelfde als wij allemaal: liefde, veiligheid en het gevoel krijgen dat ze iets betekenen. In feite schreeuwt de hele wereld: “Kijk nou naar mij!” Wat is er mooier dan die personages op toneel te zetten? Als je in staat bent om alles te geloven en je erachter bent dat dát de reden is waarom je theater maakt, dan is theater een prachtig vak om jezelf beter te leren kennen. Vooral als het publiek zich bij de strot gegrepen voelt, omdat het zichzelf herkent in personages waar het in eerste instantie ‘niets’ mee heeft. Een combinatie van volslagen paniek en confrontatie. Als mensen zo reageren, denk ik: “Het is goed gegaan, dat vind ik mooi.”
Ik vind dat kunst gaat over verbindingen. Dat is mijn drijfveer om theater te maken. Goede kunst maakt een verbinding naar iets in jezelf dat je eerder liever niet onder ogen zag. De worsteling naar die verbinding wil ik tonen. Het is een worsteling die voor ieder mens geldt.”

Theater gaat niet om een leuke avond, meent Vekemans. “Leuk. Ja, wat moet je anders zeggen. Vroeger vond ik zelf dat het absoluut niet leuk mocht zijn, nu ben ik niet meer zo streng. Als iemand me vertelt dat hij al de hele week heeft nagedacht over mijn verhaal dan is dát het echte compliment.”
Ze verstopt zich als schrijver niet enkel achter haar computer, Vekemans is graag aanwezig bij het repetitieproces. “Voor mij is het van de zotte om te worden buitengesloten van het mooiste moment in mijn werkproces: als de acteurs mijn tekst hardop uitspreken. Als de woorden gaan leven.”
De acteurs moeten wat haar betreft ook kunnen zeggen dat het niet klopt, als het niet werkt wat ze heeft geschreven. Ze geeft toe dat het soms een pijnlijk moment is, maar: “een goede acteur haalt de ruis eruit tijdens de repetitie. Acteurs maken de logica. Ik denk dat het een misvatting is dat de schrijver de alwetende partij is.”

PRODUCTIEVE TOEKOMST
Ondanks haar sterke behoefte aan visie, blijft het voor Vekemans in het ongewisse wat ze écht met het publiek communiceert. “Het was heel leuk om te merken hoe verschillend de mensen in Groningen en Eindhoven op Zus van reageerden. In Eindhoven lag de hele zaal plat, terwijl in Groningen amper iemand hardop reageerde. Daar kwam achteraf iemand naar me toe die zei: “Ik durfde niet te lachen, het was zo stil om me heen. Mensen kijken dan vanuit een andere code, die code maakt mede de voorstelling. Ik hoop wel dat mijn toeschouwers bereid zijn om mee te kijken, dat ze uit hun eigen denkkader willen stappen.”

Ze heeft een werkritme ontwikkeld waarin ze aan drie teksten tegelijk kan schrijven, contact heeft met haar omgeving via de herberg en samenwerking met artistieke partners, en plannen kan formuleren in het jasje van haar eigen Stichting MAM. Dat belooft een productieve en ondernemende toekomst. “Ik ben heel nieuwsgierig hoe het zich zal ontwikkelen. Ik denk niet dat het eenvoudig zal zijn, maar laat ik maar denken van wel.”

29/29

Woorden terwijl je onderweg bent

Poëzie in ramen

Ooit verkoos ik de school voor journalistiek in Utrecht boven die in Tilburg. In Utrecht hadden de wc’s namelijk gedichten op de tegelmuur. Witte tegels met blauwe woorden, daartussen was ik thuis.
Mijn conclusie: als iemand de intimiteit van een wc op deze wijze betekenis durft te geven, dan móet het wel een goede opleiding zijn.
Ik realiseerde me niet dat ik zelf liever voor een wc schrijf dan in een krant of tijdschrift.

Ik nam zo’n twintig jaar de tijd om werelden buiten de kunsten te ontdekken (zie CV).
In 2010 schreef ik dit liedje over een wc. Het had onderdeel van een voorstelling moeten worden, maar leverde me mijn huwelijk op.

Al die jaren hield ik kunst aan de zijlijn. Ik werkte weliswaar voor een theater, volgde de toneelschool in Gent, maakte installaties, bedacht een kinderkunstproject en schreef korte verhalen. Niet niks, maar ook niet alles.
In 2019 koos ik definitief: mijn alles is kunst.

Nu schrijf ik raamgedichten. De publieke ruimte is immers een theater, een museum. En je kan er goed afstand houden, als dat om gezondheidsredenen moet.

Nieuwsgierig? Grasduin voor de actuele raamgedichten maar even door het blauwe deel van de website.

Op Facebook kun je ze in ramen zien, op mijn pagina Buurdebuurbuur. Instagrammend heet ik claartje.chajes.

Oja! Ik ontwikkel een specialisme: portretdichten. Dat wil je natuurlijk ook zien: hierzo (op die site zijn wel foto’s)
En leuk: bekijk mij in dit filmpje van Human.

1/20

Contact

Kan ik iets voor je schrijven, met je meedenken of wil je me een vrije opdracht geven? Stuur me een bericht of gebruik de telefoon.

claartje@claartjechajes.nl
06-47146450

2/20

Vanmorgen

6 mei 2020

Vanmorgen, toen slaap

Nog over straten galmde

Zag ik mezelf

Een hardloper alleen

Boven mijn hoofd

Applaudisseerden wel honderd

Vogels in één boom

3/20

De groeten

6 mei 2020

De groeten van ons

Wij zitten binnen moed te houden

4/20

Beste buur

6 mei 2020

Ik heb pauze vandaag

Ik wil me vervelen

Ik heb geen zin

Het als vanouds te doen

Kijk, de bomen kleuren groen

Wat gaan de wolken traag

Kon ik maar met je spelen

5/20

Zaterdag of maandag of

6 mei 2020

Hoe zaterdag is het vandaag?

Ik heb er wat zondag bij gedaan

Ik dacht dat kan helpen

Om van dat woensdagse

Af te komen

Ik krijg de week niet

Doorgebroken

6/20

IK MIS

6 mei 2020

Er is geen weg terug

Hoe blauw de lucht

Mijn hart slaat stoïcijns

En ik kras letters

In een boom

IK MIS

Die boom blijft, toch?

Ik mis mijn tijd

Mijn zelf gevormde einder, zijn

Onomwonden eeuwigheid

Weet, wat ik was

Is kwijt

7/20

Bewegende hoofden

6 mei 2020

Ik kijk naar een scherm

Vol bewegende hoofden

Monden die praten in

Vierkante hokken

Achter mijn scherm staat

Een bos bloemen

 

Ik kijk naar een scherm

Vol bewegende bloemen

Bloemen die dansen

Op sokken

8/20

Het wankelt

6 mei 2020

Ik ben eraan gewend

dat mijn wereldbeeld

wankelt, het komt me

zo vreemd voor dat

iedereen ineens

iets soortgelijks ervaart

9/20

Zorg

6 mei 2020

Berichten over een werkelijkheid

Mijn wereld? De onze?

Dat systemen onderstromen

In mijn kwaadste dromen

Spoel ik weg

Ontwakend mompelt mijn

stem me toe

De wereld morgen

Heeft geen borg, maak

Geen zorgen, zorg

10/20

Wak

6 mei 2020

Er is een wak

Geslagen in mijn

Werkelijkheid, de twijfel

Is het daar warm of koud ik

Voel een zee van tijd waar

Ik van houd

Die gemiddelde zee

Was ik al zo lang kwijt

Tot een strenge stem

Mij zegt: nu is het leven

Slecht!

Ik aai mijn huid

Mijn warme vel

Nee. Ik verkies

Ik red dit wel

 

11/20

Mislopen

6 mei 2020

Alles dat we mislopen

Is in rook opgelost

De rook glijdt

Mee met de wolken

Boven onze hoofden

En als we onze benen

In de lucht steken

Raken we ons gemis

Nog net

12/20

Nu

6 mei 2020

Nu mis ik niets

Geen vol café, geen kater

Geen festival

Geen mooi toneel

Geen feestje op het water

Nu ben ik overal op tijd

En eigenlijk (nee eindelijk)

Voelt dit niets

Als onbespreekbaar veel

13/20

Omarmen

6 mei 2020

Ik hoop op een tijd

Dat we niet kunnen stoppen

Elkaar te omarmen

14/20

Jij bent ‘m

6 mei 2020

Er was eens een wereld

Zonder zondebok of

Rijmfestijn van keizers

En hun kleren

En niemand die heil

In dat soort hoefde

te zien

 

Wie niet weg is is gezien, jij bent ‘m

 

En de prins en de prinses

En iedereen

Kroonde elkaar tot

Koningspaar of hofdienaar

Van hun bestaan

En daarna gingen we er

allemaal aan

15/20

365

6 mei 2020

Ik tel tot 365

Dag in dag uit

Vol van verveling ga ik door

Kuddes auto’s, schepen,

Vliegtuigen transformeren

Voor het oog van

Mijn verbeelding tot

Kistkalveren, gillende

Varkens tot

Lijzig voorvocht.

Zeventien moerbeibomen

Dertig lelietjes-van-dalen

Dan pas

Dan pas weet ik

Niemand komt me halen

 

16/20

Ruimte zat

6 mei 2020

Er was ruimte zat

Ik paste erbij en jij

We kozen deze plek

Uit ongemak bij

Afgestoten levensvragen

Toen de stad ons

Zat was als

Broeikas van tijdgebrek

En we begonnen

Een gesprek

17/20

Tegengif

6 mei 2020

En dan de woede

Kolkend, briesend

Tussen kaken, biceps

Triceps en een springend

Vat frustratie

In het middenrif

O moedertje

O vadertje

Vind toch tegengif!

18/20

Gepasseerd station

6 mei 2020

In dit gepasseerd station

Droogt onze was

(zestig graden wit)

De tijd, hij hangt ertussen

Op z’n kop

Ik zing mezelf een liedje toe

Waar wacht ik op

Waar wacht ik op

19/20

Dit hoe

6 mei 2020

Dit hoe

Van gestolde momenten met elkaar

Zonder plan dat

Ons uit elkaar laaft

Dit hoe, dit houden van

Dit naast je staan

Ik pak het vast

en plak het aan

mijn naam

20/20